Laatste update op 18 november 2017

De zorgeloze Icarus en zijn inventieve vader Daedalus zijn in de 18e eeuw op een barokke manier uitgebeeld door de neoclassicistische beeldhouwer Canova. Het twee meter hoge, vroege werk van Canova was een groot succes. Het wordt tegenwoordig gezien als een van zijn belangrijkste beeldhouwwerken. 

Canova is een van de weinige kunstenaars in Venetië die neoclassicistische kunst maakte. De figuur die Daedalus voorstelt, is waarschijnlijk gemaakt naar voorbeeld van Canova’s grootvader. Je kunt het werk bekijken in Museum Correr in Venetië.

In datzelfde museum vind je ook andere beeldhouwwerken van Canova, waaronder de tweedelige Orpheus en Euridyce, een kunstwerk dat mij trof. Het bijzondere van dit kunstwerk vind ik de bijzondere (en goede) keuze van Canova om het in twee delen te maken: zo wordt de onoverbrugbare afstand tussen beide mythologische figuren benadrukt.

Gedicht Ikaros

Willem de Mérode schreef een invoelend gedicht over de Griekse mythologische figuren Daedalus en Icarus, waarin Icarus vlak voor zijn dood het trotse besef heeft dat hij heeft gevlogen en daarmee geschiedenis schrijft. Het gedicht komt uit De overgave en is geschreven op 14 mei 1914.

Ikaros

Icarus & Deadalus - Canova, Museum Correr

Icarus & Deadalus – Canova, Museum Correr

Hij vloog … met kalmen slag der breedgewelfde zwingen,
Waar, stug en stijf gepend, geen zuchtjen door ontweek.
En om hem was de lucht een klinken en een zingen,
Terwijl zijn blijde ziel, van heil verslagen, zweeg.

Hij voelde langs zijn lijf de loome luchten zuigen,
Als, sterk, zijn driftige arm de wieken opwaarts sloeg.
Maar bij ’t vervarelijke en snelle nederbuigen
Woei daar een koeler tocht, die langs zijn leden joeg.

Toen, van de ijle lucht en ’t hooge schouwen dronken,
En, huiverende, als na een nachtelijk gelag,
Greep, duizlend, hem de durf (hij zag haar stralen lonken,)
Te streven naar de zon met vuurger vleugelslag.

En voor zijn oogen blonk, in gouden schemeringen,
Een glorie, onvermoed, het heet gelaat der zon.
En steiler werd zijn tocht, stoutmoediger zijn dingen
Met de adelaar … hij klom, hij steigerde … en won! –

Toen kwam op zijn gelaat een glimlach als der goden,
Die uit hun zaalgen staat kalm blikken nederwaart.
En uit zijn rustigheid, ver boven vreugde en nooden,
Zond hij, der zege wis, zijn sterken kreet naar de aard.

Dan, doodelijk ontzet, voelt hij zijn vlerk bezwijken.
Zijn àrmen slaan, verdwaasd, de sidderende lucht,
En, tuimlings wervelend door hemels wijde rijken,
Weet, krimpend, hij zijn val, Zeus’ hoonlach om zijn vlucht.

Doch, met een zwaren zwaai op ’t woeste dons der sneeuwen
Branding geploft en wreed gewiegd op haren schoot,
Voelt hij, zijn zèker deel, dóór ’t kentelen der eeuwen,
Een trotsche glorie in den neerlaag van zijn dood!

Links


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *