Laatste update op 18 november 2017

der van de Venetiaanse republiek, had hier zijn intrek, er werd politiek bedreven, recht gesproken en recht gedaan. Delen van het gebouw deden dienst als gevangenis. De Porta della Carta die tegenwoordig als uitgang dienst doet, was vroeger de hoofdingang. In de 16e eeuw was er een grote brand die o.a. de schilderijen de Sala del Maggio Consiglio (zie hieronder) verwoestte.

Juist die zaal is nu een van de meest bijzondere van het paleis. Hier kun je het grootste schilderij ter wereld bewonderen, na de grote brand gemaakt door Tintoretto: het beroemde werk ‘Het Paradijs’ dat de hele oostelijke muur beslaat. De afmetingen zijn (h x b): 7.45 meter bij 24.65 meter breed.

Sala del Maggior Consiglio. Foto: wgh.hu

Sala del Maggior Consiglio. Foto: wgh.hu

Op deze website vind je verschillende foto’s van het dogepaleis, zowel van binnen als van buiten.

Vertrekken van de doge

Golden staircase (Foto: 3D Arounder)

Golden staircase (Foto: 3D Arounder)

Via de gouden trap, bekend als de Scala d’Oro, kom je in de vertrekken van de doge. Helaas is het meeste meubilair niet meer aanwezig; dat is door Napoleon geplunderd. Desondanks zijn de kamers de moeite waard om te bekijken. Ze geven een goede indruk van de leefomgeving van de dogen en gelukkig zijn de vele schilderingen wel bewaard gebleven.

Gedicht ‘De rooker’

Ik zie de doge zo voor me in het gedicht van De Mérode ‘De rooker’. Moe na een intensieve dag trekt hij zich terug en zakt neer in een van zijn prachtige stoelen om een sigaartje te roken. Tot de 18e eeuw was roken weliswaar niet alledaags, maar ik kan me voorstellen dat de doge zich de aanschaf van bijvoorbeeld snuiftabak wel kon permitteren.

De rooker

Een kleine schemerlamp is aangestoken.
Een boek ligt open, en een cigaret
Is als een smalle witte knop ontloken.
De dunne rook, half grijs, half violet,
Is, rijk gekruld als op Chineesche prenten
‘t Bevende bleeke van lang gestengeld riet,
En handen, die men meer vermoedt dan ziet,
Zijn lichte waterplassen in de lente.

Er heerscht een prikkeling van koele morgens
In deze avondschemer, en een lust,
Een onbekommerd zijn, of na veel zorgens
Een zoete mond ‘t verdriet had weggekust,
Een onvermoede goedheid, iets geborgen,
Een manlijk moezijn in een wijde rust.

Uit: Kaleidoscoop, geschreven op 14 oktober 1936.

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *