Laatste update op 18 november 2017

Misschien heb je nog nooit van Commedia dell’Arte gehoord, maar Jan Klaassen en Katrijn ken je vast wel. Die beide toneelfiguren komen voort uit het vroegere straattheater in Italië: de Commedia dell’Arte. Bondig omschreven: speels improvisatietoneel op straat. Vanaf het eind van de 15e eeuw tot en met de 18e eeuw was dit improvisatietoneel, dat door reizende toneelgezelschappen werd opgevoerd, erg populair als volksvermaak.

Zo’n toneelgezelschap reisde van stad naar stad en bracht zijn eigen attributen mee, vaak inclusief podium. De theaterstukken werden in het openbaar op pleinen opgevoerd door toneel­gezelschappen met beroepsacteurs. Op deze manier vergaarden ze hun broodnodige inkomsten.

Stereotypen en vast scenario

De acteurs improviseerden op basis van vaste scenario’s met vaste karakters. Ieder type had zijn eigen stereotypen (masker, aard/karakter, gebaren, dialect, bewegingen, etc.). De beroepsspelers bouwden hun rol al improviserend uit binnen een eenvoudig scenario. Door deze aanpak was vooral de acteur belangrijk en kwamen schrijvers er nauwelijks aan te pas. De dialogen in de Commedia dell’Arte waren vaak satirisch en seksueel getint. Acrobatische elementen waren een vast onderdeel van het spel.

Er zijn drie hoofdrollen te herkennen in de Commedia dell’Arte:

  • de jonggeliefden (innamorati),
  • de bazen met een beroep, dus vooraanstaand (vecchi).
  • de knechten (zanni).

Het scenario behelst meestal het plan van baas Pantalone om zijn dochter uit te huwelijken, maar uiteindelijk trouwt de dochter met degene van wie ze echt houdt. Intussen is er ook een verhaallijn waarin zich tussen de knechten, de zanni, allerlei liefdesperikelen afspelen die er vaak in resulteren dat de publieksfavoriet Arlecchino (Harlekijn) met Colombina trouwt. De acteurs van het spel speelden levenslang dezelfde rol, hooguit wisselde een acteur van jonggeliefde later naar een gemaskerd type. Die vaste rol was vooral nodig om goed op elkaar te kunnen inspelen.

De innamorati waren sympathiek, slim en gevat en droegen geen masker. De andere acteurs droegen er wel een. Het masker weerspiegelde de slechte eigenschappen van het gespeelde type en kostuum en masker versterkten het karakter van de rol en vergrootten de herkenbaarheid. De maskers en hun betekenis hebben trouwens overeenkomsten met de Griekse tragedie. Ook tijdens die toneelstukken droegen de drie hoofdrolspelers maskers met gezichtsuitdrukkingen (zij wisselden echter steeds van masker tijdens het spel en hadden er wel dertig tot hun beschikking).

Acrobatiek

De zanni waren vaak geslepen en uit op winstbejag, zoals Arlecchino, ook wel Truffaldino (Harlekijn), Brighella, Pulcinella (Jan Klaassen), Smeraldina/Colombina (die beiden ook wel jonggeliefde speelden) en Pedrolino (een meelijwekkend figuur, later Pierrot). De zanni speelden bijvoorbeeld de rol van bediende, waren elkaars tegenspeler (Arlecchino en Pedrolino) en raakten verwikkeld in liefdesrelaties met elkaar.

De zanni zorgden ook voor de komische noot in het spel: de grappen, grollen en acrobatische elementen (de ‘lazzi’) waar het publiek reikhalzend naar uitkeek. Een voorbeeld daarvan: Arlecchino die met een vol glas wijn in de hand een salto achterover doet, zonder een drup te morsen. De basisfiguren met een beroep (de vecchi) waren Il Magnifico/Pantalone (de gierige koopman), il Dottore (een betweterige advocaat/dokter), Il Capitano (een opschepperige militair).

De knecht Pulcinella wist, net als Il Capitano, zijn oorspronkelijke rol als een van de zanni te ontgroeien en speelde soms een rol als baas in plaats van als knecht.

Jan Klaassen

De figuur Pulcinella kennen wij als Jan Klaassen. Het fysieke voorkomen van Pulcinella was ronduit onaantrekkelijk. Hij had een bochel, een ronde buik en hij droeg een zwart of wit masker met een lange snavel­achtige neus. Verder had hij een conische hoed en ruime witte kleren. Qua karakter is deze figuur niet aimabel: het is een luie, vulgaire, op seks beluste, hebberige bedrieger. Desondanks is hij ook een aandoenlijke figuur. Pulcinella werd in het Engels ‘Punch’ van Punch & Judy (Jan Klaassen en Katrijn).

Van improvisatie naar vaste tekst

Vanaf de helft van de 18e eeuw was er een overgang te zien in het toneel: de schrijver en regisseur werden belangrijker. Uiteindelijk verdween de toneelvorm Commedia dell’Arte helemaal. Dat kwam onder andere doordat de karakters niet meegroeiden met de tijd. De retorische humor bleek tijdgebonden en daardoor verloor het toneel uiteindelijk zijn kracht. De Venetiaan Carlo Goldoni, een beroemde toneelschrijver afkomstig uit Venetië, speelde een sleutelrol bij het verdwijnen van het improvisatietoneel. Goldoni wordt vanwege zijn werk als een van de grondleggers van het tegenwoordige toneel beschouwd. Je leest meer over hem in het hoofdstuk hierna.

De invloed van de Commedia dell’Arte was zo groot in Europa, dat deze tegenwoordig nog doorwerkt. Je herkent invloeden in bepaalde types/karakter­trekken van rollen (denk aan Charlie Chaplin en Mr. Bean) en het poppenkastspel (Jan Klaassen en Katrijn) en pantomime (Pierrot).

Carnaval en maskers

maskers in etalage, Venetië

maskers in etalage, Venetië

Je zou denken dat de Commedia dell’Arte met al zijn maskers ook de oorsprong van de gemaskerde feesten en het carnaval in Venetië is. Maar dat is niet zo; die ligt veel verder terug in de tijd. Voor de feesten en maskerades in de 18e eeuw was het vooral zaak om door het masker onbekend te blijven. De maskers voor het toneel werden juist gebruikt om te benadrukken welke rol er werd gespeeld; ieder typetje had zijn eigen masker. Maar je kunt je gemakkelijk voorstellen dat de Commedia dell’Arte heeft geïnspireerd en bijgedragen tot het inburgeren van het dragen van maskers. Eind 18e eeuw liep men zelfs bijna structureel met een masker rond in de stad. In sommige situaties waren mensen zelfs verplicht een masker te dragen. De hele stad was verworden tot één groot toneeldecor. En misschien is ze dit tegenwoordig in bepaalde opzichten nog steeds.

Gedicht ‘Een nieuw lied’

Naast de Commedia dell’Arte waren ook de volksvertellers geliefd. Zij verdienden hun inkomsten met het vertellen van verhalen die zij uit hun hoofd hadden geleerd. Die declameerden ze bij voorkeur op een plein of plek waar veel mensen kwamen, vaak op plekken waar ook algemene aankondigingen werden gedaan. Zo kregen ze natuurlijk de meeste aandacht (en geld, naast applaus en waardering).

Het idee van volksverteller inspireerde De Mérode tot het schrijven van het gedicht ‘Een nieuw lied’ met de ondertitel: “van een jongeling die zijn beminde ombracht, en daarvoor moest sterven, medegedeeld door Willem de Mérode”. Het is een wat langer gedicht, maar de tekst is gemakkelijk te begrijpen. Laat je niet dus ontmoedigen door de lengte. Het gedicht werd niet gebundeld, maar werd in 1934 in het tijdschrift Opwaartsche Wegen gepubliceerd.

Een nieuw lied

van een jongeling die zijn beminde ombracht, en daarvoor moest sterven,
medegedeeld door Willem de Mérode

O mannen en vrouwen hoort dit lied,
Ik zing het al langs de straten,
Hoe een jongedochter in groot verdriet
Haar achtbaar leven moest laten.

Hij was een sterke landmanszoon.
Haar betrekking was veel lager.
Zij verdiende deugdzaam maar weinig loon.
Hij kon zich niet aan haar verzadigen.

Hij heeft haar menig jaren bemind.
Zij wou hem haar eer niet geven.
Toen heeft hij door toornigheid verblind,
Haar afstand laten doen van ’t leven.

Hij heeft een gelegenheid benut
Die hem eens werd geboden,
Zij waschte zich bij de regenput,
Hij heeft haar erin gestooten.

O lieden die dit spoedig hoort,
Wij moeten gaan getuigen.
Hij heeft dit eerlijk bloed vermoord,
Hij moet voor den rechter buigen.

“En hebt gij die jonge maagd verdaan?”
Och neen, mijnheer de rechter,
Het is bij ongeluk gegaan,
Ik ben als gij, niet slechter.

Ik heb haar jarenlang bemind.
Haar eer moest zij bewaren.
Toen ben ik door droefenis verblind.
De duivel is in mij gevaren.

Heer rechter, ik heb geen kwaad gedaan,
Ik gaf haar slechts een stootje.
Door den duivel kwam het harder aan.
Zij lei het laatste loodje.

De rechter zei: “Is het zóó gegaan?
Wij zullen u losjes hangen.
Trekt dan de duivel de strop wat aan,
Gij kunt niet meer verlangen”.

Zij hebben hem onder de galg gezet.
Hij moest de ladder beklimmen.
Toen verlangde hij dat het volk verplet
Voor hem een gebed zou bidden.

Zij staken zijn hals in een losse strop.
Hij stond op zijn beenen te trillen.
Toen gaven zij de ladder een schop.
Hij hing schommelend te verstikken.

De mannen baden achter hun muts.
De wraakgierige vrouwen verbleekten.
Toen is men in huis zeer onthutst
Den opgehangen moorder ontweken.

Het lied van dit eerlijke gerecht,
Kunt gij nu zingen en fluiten.
Geef den zanger, die het heeft voorgezegd,
Om te leven een paar duiten.

Bronnen


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *